Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label meubel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label meubel. Alle posts tonen

maandag 4 augustus 2014

Finn Juhl in het Designmuseum (Gent)


Toen Katrien Laporte bij haar aantreden als directrice van het Gentse Designmuseum op 1 oktober 2013 in een interview gevraagd werd naar haar favoriete designer uit het verleden, noemde ze meteen Finn JUHL.

Finn JUHL (1912 - 1989), architect en meubeldesigner, mag met recht de vader van het Deense design genoemd worden. Samen met o.a. Arne Jacobsen en Hans J. Wegner behoort hij tot de grote namen van de 'Deense Modernen' op het vlak van architectuur en meubeldesign en is één van de eerste Deense designers die internationaal doorbrak.

Door zijn opleiding als architect bekeek hij het meubeldesign op een heel andere manier dan zijn tijdgenoten, door het perfecte samenspel tussen meubilair en ruimte. Hij investeerde volop in de sculpturale, monumentale vorm van zijn ontwerpen en werkte voor de technische uitvoering ruim twintig jaar nauw samen met de meubelmaker Niels Vodder. Als meubeldesigner was Juhl zelf autodidact.

Inspiratie haalde hij, naast zijn ruimtelijk inzicht, bovendien bij eigentijdse, Deense en internationale kunstenaars als Robert Jacobsen, Erik Thommesen, Henry Moore, Jean Arp, Barbara Hepworth,... maar eveneens in de Egyptische en Afrikaanse cultuur.




Finn Juhl had een zeer nauwe band met de Deense kunstenaars van zijn tijd. Reeds in de jaren 40 werd hij verzamelaar van de jonge Deense kunstscene met namen als Else Alfelt, Ejler Bille, Asger Jorn, Egil Jacobsen, Carl-Hennig Pedersen, Erik Thommesen,..., figuren die o.a. via de groep HØST en hun tijdschrift HELHESTEN de weg vrijmaakten voor de komst van Cobra.

Net zoals in de huidige tentoonstelling integreerde Finn Juhl hun kunstwerken ook tussen de presentatie van zijn meubels en uiteraard ook in zijn eigen woning (nu museum) uit 1942. 

De tentoonstelling in het Designmuseum schetst op een vrij beperkte ruimte (de benedenverdieping) een duidelijk gecompartimenteerd, maar vergelijkend beeld tussen de meubels van Finn Juhl en dat van zijn tijdgenoten en artistieke inspiratiebronnen.

Vanuit het oude museumhuis bereik je via een lange gang het achterliggende gedeelte. Die gang is momenteel aan beide zijden volgestouwd met plastic afval als aanloop naar de tentoonstelling 'No design to waste - Out to sea - The plastic garbage project' op het gelijkvloers.

Wij gaan een (letterlijk) trapje lager voor Finn JUHL en worden meteen ontvangen in zijn salon met verschillende voorbeelden van zijn iconische zetel 'Pelikanen' (1940), het laatste gecapitoneerd ontwerp en een perfect voorbeeld van zijn organische, sculpturale vormgeving. Rechts staat die zetel gepresenteerd in combinatie met de even organische wandsculptuur 'Attrå' (Verlangen) van Sigurjon Olafsson.



Sigurjón Olafsson, Attrå, 1940,
gepatineerd brons op hout, uitvoering 2010
Bruikleen: Sigurjón Ólafson Museum, Reykjavik, Ijsland
&
Finn Juhl, Pelikanen, 1940, walnotenhout, wol
Meubelmaker: Niels Vodder


Interessant is de confrontatie tussen Finn JUHL en Kaare KLINT, de oprichter van de Møbelskole (1924). De meeste Deense meubelontwerpers kregen daar hun opleiding, maar Finn Juhl was op dat vlak dus autodidact.

Verder zijn er podia waarop Finn Juhl nu eens Hans J. Wegner, dan wel Arne Jacobsen als tegenspeler krijgt. Opvallende combinatie is de bekende 'Myren' stoel (1952) van Jacobsen en de 'Karmstolen' van Finn,  beide met gebogen multiplexhout. Voor Finn was dat het eerste model dat geschikt bevonden werd voor industriële productie.

Een volgende sterke opstelling betreft twee sofa's, begeleid door houten sculpturen van Erik Thommesen. 'Poeten' (1941) van Juhl en 'Tremmesofa' (1945) van Hans J. Wegner en Barge Mogensen zijn vanuit verschillende uitgangspunten ontworpen.

Let ook op de mooie opstelling met Ole Wanscher, leerling, medewerker en later opvolger van Kaare Klint als professor in de Møbelskole. Wanscher liet zich vooral inspireren door 18de-eeuws zitmeubilair, zoals in deze 'Armstol' (1943).

Finn Juhl ging steeds verder in zijn experimentele omgang met sculpturaal meubeldesign, dat door Niels Vodder in de praktijk omgezet werd. Vodder was een kei in het realiseren van moeilijke houtverbindingen.


Kaare Klint, Røde stol, 1927, mahoniehout, Niger-geitenleer
Meubelmaker: Rud.Rasmussen
&
Finn Juhl, model NV44, Knoglestolen, 1944, wengéhout, leer
Meubelmaker: Niels Vodder

Met de 'Japanstolen' (1953) zit Finn Juhl 'in de hoek van' Mies Van der Rohe en zijn 'Barcelona Chair' (1929). Het model van Juhl werd als één-, twee- en driezit op grote schaal geproduceerd. Het schilderij 'Mont Gros' (1956) van Egon Mathiesen zorgt hier voor enige kleurrijke 'wanorde' in deze doordachte omgeving.

Tot daar slechts enkele verwijzingen. De tentoonstelling is klein genoeg om de aandacht gaande te houden en voldoende ruim om een overzicht te bieden van Finn Juhl als meubeldesigner in het perspectief van zijn tijd.

U hebt nog ruim de tijd om de vaste collecties op de eerste en tweede verdieping te bezoeken.



Wilhelm LundstrØm, Opstillung med kande og fad, 1937
olieverf op doek
&
Finn Juhl, model FJ45, 1945, walnotenhout, wol
Meubelmaker: Niels Vodder


Finn Juhl - een Deens designicoon

tot 12 oktober 2014
in
DESIGN MUSEUM
Jan Breydelstraat 5
9000 GENT

dinsdag tot zondag: 10 - 18 uur





© Art Spotter voor WATERSCHOENEN




woensdag 1 augustus 2012

Pieter De Bruyne (1931-1987) in het Designmuseum te Gent

Wanneer je in Aalst de naam Pieter De Bruyne uitspreekt, levert dat dikwijls wenkbrauwengefrons op. Dat hij intussen al 25 jaar overleden is, zal daar wellicht voor iets tussen zitten. Maar toch is zijn naam en faam in zijn stad veeleer zaak van een relatief beperkte kring. Nochtans is Aalst de stad waar hij geboren werd, woonde en werkte. Bovendien zijn er in de stad wel wat sporen van hem terug te vinden, zoals zijn voormalig woonhuis in de Stationsstraat of winkels die door hem ingericht werden (o.a. Patisserie Malpertuus in de Kattestraat of Kinderschoenenwinkel Elfi in de Vrijheidsstraat).
In de buurt van het voetbalstadion is zelfs een straat naar hem genoemd. 'Aalsterse kunstenaar' staat onder zijn naam op het bordje. Het is me een raadsel of zich daar iemand in de buurt iets kan bij voorstellen.
In de buurt van het Aalsterse voetbalstadion
In 1953 studeerde Pieter De Bruyne in Sint-Lucas (Brussel) af als binnenhuisarchitect. Amper twee jaar later stond hij daar terug als docent binnenhuisarchitectuur en toegepaste kunsten in de afdeling Bouwkunst.
Vanaf 1954 engageerde hij zich als meubelontwerper op de markt van het 'sociale' meubel. Hij wilde, in samenwerking met meubelproducenten, degelijke en eigentijdse, maar voor iedereen betaalbare meubels creëren. Het experiment werd geen succes, omdat de producenten hem onvoldoende steunden, de ontwerpen illegaal gekopieerd werden en het beoogde publiek er niet echt wakker van lag.
Vanaf 1960 schakelde hij definitief terug op ambachtelijke productie, die hem overigens met de paplepel ingegeven was. In het meubelatelier van zijn vader (Emiel) had hij al vroeg de kneepjes van het vak geleerd. Vakmanschap gekoppeld aan beredeneerde 'inspiratie' werd de standaard voor zijn verdere loopbaan.

Pieter De Bruyne, "Dag en Nacht", Bergmeubel ("Dag" kant),
1982, Unicaat, ambachtelijke uitvoering
Collectie Design Museum Gent
Vanaf 1954 ondernam hij diverse studiereizen naar Italië, het designland bij uitstek. Hij liep ook stages in Milaan bij Gio Ponti (1891-1979), één van de belangrijkste Italiaanse architecten-designers.
In de loop van zijn carrière bleef hij ontelbare landen en culturen verkennen, waar hij telkens ook zijn blik op de meubelkunst, zowel historisch als vaktechnisch, wilde verruimen.
Zo zullen we bijvoorbeeld de Italiaanse renaissance-architectuur en elementen uit de Egyptische meubel- en bouwkunst zien opduiken.
De Bruyne is (mede dank zij zijn vader) een ambachtsman, maar daarnaast ook een kunstenaar. Precies die combinatie maakt zijn experimenten zo boeiend en overtuigend, omdat hij zijn originele ideeën met een technische perfectie en een onvoorstelbaar ruimtelijk inzicht zelf kan uitvoeren. Dat zorgt natuurlijk voor een grotere exclusiviteit van zijn oeuvre. Daarmee staat hij ver van het 'sociale' karakter uit zijn beginperiode, maar toch bleef hij steeds trouw aan de puurheid van zijn ontwerpen.

Op weg naar de tentoonstellingsruimte van Pieter De Bruyne
in het Designmuseum
Dat deze tentoonstelling in het Gentse Designmuseum doorgaat, is vanzelfsprekend geen toeval. Een aantal van de tentoongestelde meubels behoren tot de vaste collectie van het museum, dat eveneens de complete bibliotheek en het archief van de ontwerper toegewezen kreeg.
Wie ooit het museum bezocht, heeft ongetwijfeld op de hoogste verdieping van het achterhuis de ontwerpen van Pieter De Bruyne naast het werk van onze andere meubeldesigner Emiel Veranneman gezien.

Vooraleer we op stap gaan tussen de meubelstukken uit de tentoonstelling, moeten we toch ook even de andere aspecten van zijn oeuvre belichten. De Bruyne engageerde zich ook in totaalconcepten, waarbij interieurs als het ware herschapen werden in een aaneenschakeling van meubelsculpturen met kamers die toch telkens weer een eigen sfeer uitstralen. Bovendien waren er zijn niet te onderschatten architecturale kwaliteiten.

Voormalig woonhuis van Pieter De Bruyne in Aalst (Stationsstraat)
Wie ooit de kans kreeg zijn huis in de Stationsstraat (nr. 16) in Aalst te bezoeken, komt terug buiten met het beeld van een niet alledaags, maar ontzaglijk doordacht interieur. De voorgevel van deze verbouwde woning oogt, op een paar details na, heel gewoon. Daarachter zorgde De Bruyne in 1972 voor een combinatie van de bestaande woning met een nieuwe achterbouw, waarbij de woonfunctie grosso modo naar het achterhuis verplaatst werd en de professionele activiteiten aan de straatkant gesitueerd werden. Tegenover de sobere openheid van het nieuwe gedeelte staat de extreem gekleurde 'meubelarchitectuur' (de rode, blauwe of witte kamer met elk een specifieke functie) aan de straatkant.

Pieter De Bruyne, "Chantilly", Bergmeubel, 1975,
beperkte productie, ambachtelijke uitvoering,
Collectie Design Museum Gent
Drijvende kracht achter de tentoonstelling is Christian KIECKENS (°1951), architect en leerling van Pieter De Bruyne. De tentoonstelling en het gelijknamige boek (i.s.m. Eva STORGAARD) is dan ook een hommage aan zijn mentor, onder de titel: 'Pieter De Bruyne - Pionier van het postmoderne'.
De Bruyne maakte nooit deel uit van postmodernistische groepen als 'Alchimia' en 'Memphis', hoewel het hem uitdrukkelijk gevraagd werd. Hij was veeleer een voorloper en bovendien te persoonlijk om in een groep te functioneren.
De tentoonstelling biedt een overzicht van realisaties vanaf 1957 tot enkele maanden voor zijn dood in 1987. Beginnend bij de 'industriële' ontwerpen zien we de kinderkamer uit 1957, het kinderbedje uit 1958 of de zetel (1960) die door Arflex (Milaan) geproduceerd werd. Het zijn telkens voorbeelden van uitgkiende soberheid, gekoppeld aan het nuttigheidprincipe en met oog voor esthetiek.
Toch zou De Bruyne rond 1960 (om reeds aangehaalde redenen) terugschakelen naar de eigen, ambachtelijke productie.
De meubels van De Bruyne blijven steeds, ondanks de aparte vormgeving, de soms verborgen ruimtes en de ingebouwde symboliek, echte meubels met de functies vandien.
Pieter De Bruyne, "Benares", Open scheidingswand, 1978, Unicaat, ambachtelijke uitvoering,
Collectie: privéverzameling.
& Dubbele stoel, zitmeubel voor man en vrouw, 1974, beperkte productie, ambachtelijke uitvoering,
Collectie Designmuseum Gent
We nemen U even kort mee doorheen de tijd en de tentoonstelling...
1973: witte en zwarte kast, een toonbeeld van contrast en eenheid, gerealiseerd in beperkte, ambachtelijke productie.

1974: De dubbele stoel, een zitmeubel voor man en vrouw (zie foto hierboven).

1975: De kast 'Chantilly' is een 'kruising' tussen een zorgvuldig nagebootst 18e eeuws Frans meubel (uit Musée Condée in Chantilly) en een origineel ontwerp van De Bruyne (zie foto hoger).

1978: 'Benares' open scheidingswand is een grotendeels open structuur, met verschillende elementen die ook gewijzigde opstellingen toelaten (zie foto hierboven).

1979: Hulde aan Gio Ponti n.a.v. zijn overlijden is een bergkast in wit en geel hout, perspex en verlichting, met toepassing van de principes van Ponti, zijn leermeester.
 1982: Dag- en Nachtmeubel, een uniek exemplaar als vrijstaande bergkast in wit, zwart , blauw en rood gelakt.(samen met de 'Chantilly-kast' één van de pronkstukken uit de collectie van het Designmuseum) (zie foto hoger).

1983: 'La Rotonda en een grote witte maan' is een lage tafel met berging (een expliciete verwijzing naar Villa Rotonda van Andrea Palladio).

In het museum wacht U natuurlijk nog veel meer...ook het unieke boek.

Boek onder redactie van Christian Kieckens & Eva Storgaard
Uitgave van University Press Antwerp, 2012
ISBN 9789070289300
Pieter De Bruyne
Pionier van het postmoderne
tot 21 oktober 2012
dinsdag t.e.m. zondag: 10 tot 18 uur
in het DESIGNMUSEUM
Jan Breydelstraat 5
900 GENT

donderdag 16 oktober 2008

BOEKenKASTen SURPLUS in GENT

De boekenkasten die sinds 10 oktober in een speciale tentoonstelling exclusief voor België tentoongesteld worden bij SURPLUS in Gent, zijn een godsgeschenk voor liefhebbers van minimalisme.
Elisabeth LUX (°1955), een Duitse architecte en beeldend kunstenares uit Berlijn, heeft voor PASTOE (een Nederlandse producent) deze kasten ontworpen in het verlengde van haar sculpturaal werk. Ze werkt enkel met vertikale en horizontale lijnen. Dit is absoluut minimalisme in de geest van Judd, maar dan wel rekening houden met een maximale gebruikswaarde.
De boekenkasten presenteren onder de naam 'Motion' een flexibel systeem van aan elkaar gekoppelde kastjes op wielen, die zowel tegen een wand als vrijstaand in de ruimte opgesteld kunnen worden. Een uitgebreid kleurengamma zorgt voor een extra dimensie in de ruimtelijke en esthetische waarde van deze kasten.
Ook in de vorige tentoonstelling ging het over boekenkasten...
Met zijn ontwerp 'Babel PH07' presenteert Hans De Pelsmacker echter een totaal andere benadering dan de rechtlijnigheid van Elisabeth Lux.
De Pelsmacker gaat uit van het labyrint als metafoor voor de zoektocht naar kennis. Zijn (in principe) losstaande boekenkasten bevatten dan ook verschillende compartimenten met zelfs 'verborgen' hoekjes en de mogelijkheid om extra losse elementen toe te voegen.
Van elk ontwerp worden maximaal 10 exemplaren geproduceerd.
Een extra dimensie wordt geleverd in de samenwerking met beeldend kunstenaar Benoit van Innis, die met gekleurde en beschilderde keramiektegels de kasten van De Pelsmacker een uniek karakter bezorgt.
SURPLUS INTERIEUR staat van 17 tot 26 oktober 2008 ook op Interieur in Kortrijk.
SURPLUS INTERIEUR
Zwartezusterstraat 9
9000 GENT
di - vrij: 10-12.30 en 14-18 uur
za: 11-18 uur
Tel: 09/223.52.94
(c) artspotter voor waterschoenen